Het weer vandaag  

Weather data OK.
Brussel
12 °C
   

Overzicht kalender  

loader
   

Jef Kabal

(uit tijdschrift Ascania 1988-1)

jef kabalVolksfiguren worden steeds zeldzamer, toch diegene die het penseel kunnen bekoren door een eigen geaardheid en levenswijze, bijzondere uitdrukking van gang, houding en gelaatstrekken en herkenbaar door stem en kleding. Ge kunt ze mijden of opzoeken maar niemand laten ze onverschillig. Ze voeren bepaalde dingen uit om van op te kijken, kunnen bewondering afdwingen en iets brengen wat moeilijk mededeelzaam is. Ze zijn bijzonder genietbaar door degenen die hen spontaan aanvaarden. Ze vertoeven liefst in afzondering-alleen. Binnen hun woning wordt verondersteld dat hun manier van leven anders is omdat weinigen er toegang toe krijgen. De ondervinding doet aannemen dat comfort en orde niet hun wereld is. Oude overgebleven voorwerpen en beeltenissen afgetrokken door het daglicht bewaren ze graag. Van een kleine inboedel kunnen ze echt genieten want aan weelderigheid wordt niet gedacht. Het zijn gelukkige mensen want welstand is hun doel niet; ze leven in harmonie met de natuur. Onbewust. Met dit geluk zijn ze rijk, want de regels van wellevendheid en politiek volgen ze niet. Opgelet ze zijn verstandig. Bier is vaak een troost. Dan worden ze met eigen gebaren vooraan gedreven waar feest en kermis wordt gevierd.

Behalve Lieze Pep, Bertha, Roze en Zjanneken van den Anker zijn het meestal mannenfiguren geweest die gekonterfeit werden, omdat ze met pijp en pot en pint goed figuur slaan en beter in te kleden zijn met floer, rode halsdoek, blokken en strohoed. Meer dan een halve eeuw werd de schildersezel geplant in de golvende natuur tijdens ieder jaargetijde maar meest in stal en schuur van ontelbare boerderijen waar naast het zware Brabants trekpaard die mooie landelijke figuren werden ontdekt. In hun vertrouwelijk milieu pozeerden ze graag en liefst waar mest en toebak bleef nageuren. In ruil daarvoor kregen ze wat terug: bier, tabak of een muntstuk. Ze voelden zich tot diep in hun gerimpelde schors bekeken en waren overtuigd dat het portretteren ernst was. Zelfs diegenen die dwars en tegendraads deden hebben zich overgegeven aan dat penseel aan hen gewijd. Ook uitverkorenen uit voorname middens van eigen streek en ook daarbuiten - volledig los van de bestelde portretten - lieten zich vrij schetsen en schilderen omdat zij wilden aanvaarden dat hun karaktertrekken iets moois konden bieden.

Zo halverwege het jaar 1986 meldde pater Spanhove van Walfergem - nu pastoor te Kobbegem - dat hij onder zijn parochianen aldaar een type meende ontdekt te hebben waard om op doek te brengen: JOZEF WAUWERIJNS van de Beekstraat. Velen werden in de loop der jaren aangeduid en toch kwamen weinigen in aanmerking. Maar pater Spanhove heeft zovele konterfeitsels van het genre-figuren weten ontstaan met name SJAT, BERT, PIE KLAUS, PÏE VAN OSSEL, MANKE FIEL, TIST, WANNES, DEN BOESTER, DE KALLE, JOKKEN, JEFKE VERBRUGGEN, LOMMEN, SPINOE, NOTARIS STAS, CHALE KATUIZER, DEN DRUKKER en tientallen meer, zodat nieuwsgierigheid zich toch opdrong.

Als ge dan enkele dagen later op ne zondagnamiddag in de Broekstraat voor een zeer oud boerderijtje staat, met nog lemen witgekalkte voorgevel naar het zuid-oosten gekeerd volgens de toenmalige regels voor boerenwoningen en dat er nog precies uitziet als de hoevetjes uit uw eigen kindertijd, dan doet heimwee opnieuw uw hart verlangen naar de heimat van uw jeugd. Alleen het strooien dak werd veranderd.

Vluchtige herinneringen laten u een poosje mijmeren alvorens daar aan te kloppen en ge moet meermaals herbeginnen. Eindelijk staat hij in de deuropening. 't Is hij. Dag Jef... en gemaakt een glimlach en ge spoedt u om te zeggen dat ge met de kompli-menten komt van mijnheer pastoor. Dat schijnt wel te pakken en ge voelt dat er een berstje komt in het ijs. Zo gaat het. Ge doet alsof ge Kobbegem op uw duimpke kent... of hij Heinke Knop gekend heeft en Roze en Wis van Perokes en Rosse Sus en Waiske Vanès ? Ge volgt hem en ge staat beiden in de woonplaats.

Als ge over grootvader Schoen spreekt die boerde op de laatste boerderij van beneden Walfergem dan gaat hij leunen op de roei van zijn Leuvense stoof, 't IJs is nu verder gebroken. Maar ge moet uw doel bereiken en om beters wil speelt ge de troef uit van pater Spanhove... dat de pastoor u vroeg om het portret van JEF KABAL te tekenen. Jef Kabal. Die naam doet hem even opschrikken, want alleen vertrouwden spreken zo. En of hij zijnen baard nen dag of zo zou willen laten staan en zijn "dingen" van de week aan te trekken dat tegen herk en schuur kan.

En zo kwam Jef nog dezelfde week op atelier met een mooie ruwe stoppelbaard. Een oude floeren vest en een afgedragen rode halsdoek liet hij zich kalm aanpassen, alsook een pijp in zwarte asbest. Zijn eigen pijp was hij thuis kwijtgeraakt. Hij zei dat hij nu zelfgerolde michellekes smoorde. Beneden had hij een borrelken gedronken en nu stond er een glas schuimende geus bij hem. Hij liet zich vragen stellen over zijn leven terwijl intussen de goede poze werd gevonden.

Jef Kabal heeft veel soorten werk uitgevoerd in zijn leven maar sleuner was zijn beste stiel. Sleuner! Alleen in Kobbegem wordt deze benaming gebruikt. Ook in beneden Walfergem dat alleen van Kobbegem gescheiden is door 't Kobbegemveld en 't Heierveld kent men die naam niet. Wél snoeier en kandelaren.

Bij Kabal thuis waren zes kinderen, drie jongens en drie meisjes. Celine die met Kamiel den bult getrouwd was hield vele jaren een bollewinkelken op de Kalkoven te Asse tot een stuk in de vijftiger jaren. Celine kon toch zo goed met kinderen omgaan. Ze stierf helaas te vroeg en de winkel ging voorgoed dicht. De andere kinderen Wauwerijns waren alle uitgetrouwd behalve Jef die overbleef met moeder Lieze Vrijdag. Zij stierf toen ze 92 was. Dan bleef Jef alleen over in het boerderijtje met 'n koe, ne meutten, 'n verken en enige kiekeren. Er zou geen andere vrouw in huis komen. Nooit... en Jef bleef ongetrouwd.

Hij had al ne schone ouderdom toen hij het sleunen aanleerde. Dat was bij Pië van Wannekes van beneden Walfergem, alomgekend snoeier. Wanneer hij van Wannekes terug kwam ging hij altijd een potteken lambiek drinken "in de klok", beter gekend als "klokkes". Witje Klok was er de baas en Wanne de bazin. Daar waren tien kinderen, evenveel meisjes als jongens. En vermaak genoeg, men kon er kegelen, kaarten en vogelpikken. Wais van Rosse Sus kwam er te vrijen met Finne van Klokkes, van dezelfde slag en ouderdom van Kabal. Maar Jef trok zich niets aan van 't vrouwvolk. Wel wachtte hij op Wais om samen naar huis te gaan langs 't donkere Heierveld.

Amper veertien jaar oud werd Jef als koeter aangenomen op 't kleinhof te Bollebeek.Klein Hof te Bollebeek 't Was nog oorlog in 1918. Daar vlak achter 't goed van 't kasteel van Walfergem. Bij pachter Lowie de Rijck. Niet ver van de hoeve lag toen een Duits vliegveld. De ganse dag stegen vliegtuigen op of streken neer. Boeiend spektakel voor de kinderen van beneden Walfergem, die vanop het nabijgelegen Kabuizenveld mochten toekijken (Wij hebben het zelf meebeleefd). Kabal moest in dat zwaar geronk de verschrikte koeien naar de weide drijven of de stallen mesten of de binnenkoer proper vegen.

Eenendertig jaren heeft Jef op de hoeve van pachter Lowie De Rijck verbleven en zeer hard gewerkt. Eens de koetertijd voorbij was hij paardeknecht geworden. Eenendertig jaren te voet van Kobbegem naar de hoeve. Elke dag de Maalbeek over doorheen de eenzame vlakte van 't Heierveld langsheen de boerderij van Dorken Plas de brede veldbaan volgen tot het hof. Daar om vijf uur aankomen 's morgens en 's avonds wanneer de koeien waren gemolken rond den achten weer thuis. Winter en zomer. Wanneer hij later moest blijven kreeg hij ne kruiwagen bieten mee voor de beesten thuis. Jef verdiende een karig loon, want de wet op het minimumloon was nog niet in voege. Wel kreeg hij voor het paardewerk thuis een paard mee voor een schoft, met slezze en ploeg en eg. Kabal had altijd ne stok bij - voor op te steunen en hem te weren ! 's Avonds keerde hij veld over veld terug, zo kon hij het huis van SUS de boswachter van 't kasteel op verre afstand vermijden. Zo kwam hij ginder ver aan de Maalbeek opnieuw op de baan dicht bij huis. Veilig en gerust en Jef gaf een vlug pinkje weg.

Zijn moeder Lieze Vrijdag stierf en Kabal verliet voorgoed de grote hoeve. Hij moest nu instaan voor de oppas van zijn eigen beesten. Nu zou het sleunen beginnen en er werden sporen en vuimen en een bijl aangekocht. Hij werd zowat overal gevraagd en er werd beweerd dat hij beter dan Pië van Wannekes in de gevaarlijkste bomen klom; "Ik was fier wanneer ze mij van beneden aankeken", zei Jef. Eens sloeg hij zijn bijl in een hoge spil waarop hij zich had neergezet; de spil begaf en hij viel mee en wierp zijn bijl in het wilde naar beneden. Als bij wonder bleven zijn sporen in de stam vaststeken terwijl hij zich kon vastgrijpen aan een lagere tak. In de val had zijn bijl een wild konijn getroffen. In de herberg "de tingeleir" - zijn stamcafé - werd hij als konijnenvanger herdoopt.

Jef werkte ook enkele jaren in de brouwerij te Kobbegem samen met Gielen, Nollen en de Zwetten. Ook met Prosper maar over den dien wou Kabal zwijgen.

Gans zijn leven is Jef bereidwillig en werkzaam geweest. Een bepaalde periode was hij grafmaker te Kobbegem tot wanneer hij in zijn zelfgegraven kuil viel met een leeg jeneverflesje. Goede geburen hebben hem eruit geholpen. Bij tingeleir zei hij 's anderendaags dat hij draailings geworden was. En gedaan ermee.

Geen nood. Naast het sleunen werd hij aangenomen om te tuinieren bij de GRIJZEN van Zellik voor fijn grondwerk in de hofkens van burgershuizen. Jef kon veel doch altijd tot zolang het hem beviel. Maar altijd veel geld verdiend, veel, overal waar hij heeft gewerkt. Kabal kon zich opblazen en boffen.

Hij regelde zijn vermaak. Bij tingeleir ging hij meest: pinten pakken, met de kaart spelen en het hoogste woord voeren wanneer hij genoeg had... Nevens zijn boerenhuizeken had hij een duivenkot opgetimmerd. Hij nam als associé Rik, de zoon van Luppen van Piêkes van 't Heierveld. Luppen werd in zijn tijd aanzien als de beste en bekwaamste duivensjapper van de streek. Rik zelf is nooit de grote melker geworden. Er werden duiven gekocht, opgeleerd en gespeeld en vielen steeds buiten de prijzen en Rik vloog buiten. Maar veel geld verdiend, veel. Jef toch!

In de herberg liet hij zich graag opmerken wanneer de lambiek hem overmeesterd had. Dan werd hij gloriedronken, eigenwijs en hooghartig. Dan kon hij de jan uithangen en zwetsen en pochen. Maar hij kon ook zingen. Liedjes van vijftien coupletten, droeve en plezante. En om zich standing te geven zong hij op z'n brussels, van dat eigen gefabriceerd brussels. Heel Kobbegem kende zijn droevig lied "les paard soldaat moet zijn", een oorlogslied met een gesneuvelde lancier. Kabal kon ook van vreugde huppelen en springen wanneer hij zong over "MIE EN SWAS 'K WOU DA'K NOG 'N KETJE WAS".

Wanneer hij pozeerde voor "drinker" kon hij geen vrolijke uitdrukking geven. Hij kon noch lachen noch glimlachen op vraag en toonde een lelijke grimas. Het werd de "dronkaard". Jef had een goed gebit. Hij kon stenen klieven daarmee. Dat gebit had hij op de markt gevonden. Mogen kiezen uit een mand voor vijftig frank. Nee Jef dat kan niet. Toen wou hij de waarheid kwijt... dat die tanden bij hem thuis gebracht werden door ne "zwetten". "Ne neger Jef?". "Nee nee, ne witte zwetten!". Meer wou hij niet kwijt.

Hij pozeerde nog voor "de strooien hoed", "de pijpenroker" en "het boek". Hij zou terugkomen in de nazomer van 1987 voor de "dorser".

In de bamistijd van dat jaar ontving ik het verrassend briefje van pater Spanhove dat Jozef Wauwerijns op 4 juli was gestorven en of een schets met een artikeltje zou kunnen verschijnen?

Ik ben op navraag gegaan en wou weten wat die kloeke man overkomen was... Een paar maanden vóór zijn dood kreeg hij schrik om thuis te blijven en begon te dolen. Jef was zijn verstand en zinnen kwijt en kwam in een gesticht te Meise terecht. Daar was hij driemaal weggevlucht en de vierde keer door 't raam gesprongen met het gevolg dat zijn twee hielen gebroken waren. Hij werd verzorgd in de H. Hartkliniek te Asse, maar hij bleef van de wijs. Toch waren er momenten van helderheid, want er was een notaris met twee getuigen aan zijn bed gekomen, waar Jef Kabal afstand deed van zijn bezit ten voordele van zijn zuster'zoon.

Ik ben naar de Broekstraat teruggekeerd. Daar kreeg ik een doodsbrief met een prentje en vernam dat zijn sporen en vuimen en bijl sinds lange tijd weggegeven waren. Op het doodsbeeldeken staat op de voorkant een oude knotwilg afgebeeld met nog twee kale takjes, met in de achtergrond een kil en kaal wegdeemsterend landschap. Ge ziet er de vlakte van 't Heierveld in en de verpersoonlijking van Kabal zelf.

Als ge met dat beeldeken in de hand opnieuw voor dat zeer oud boerderijtje staat, dan betrapt ge uzelf dat ge heel lichtjes glimlacht en onhoorbaar uitspreekt... dag Kabal, dag laatste tronk van Kobbegem.

Karel de Bauw