Het weer vandaag  

Weather data OK.
Brussel
12 °C
   

Overzicht kalender  

loader
   

Restauratie deel drie

Uiteenzetting van de opgravingen door Kristine Magerman.

De resultaten van het archeologisch onderzoek.

rsz knipsel145Het terrein van de kerk en het kerkhof bevindt zich ten noorden van de Maalbeek, aan de voet van een helling waarvan de top een hoogte bereikt van ongeveer 75 m boven de zeespiegel. Het maaiveld van het kerkhof bevindt zich 57,67 m TAW.

Het betrokken gebied ligt op de grens van het Benden Scheldebekken en het Dijlebekken. Net ten zuiden van de kerk stroomt de Maalbeek die van groot historisch belang was, zoals zo dadelijk zal blijken.

De site bevindt zich in de zandleemstreek. De bodems kunnen omschreven worden als droge leembodems (roos op de figuur) die overgaan naar matig droge leembodem (oranje op de figuur).

Geologisch bestaat de ondergrond op de plaats van de kerk uit de Formatie van Maldegem (Tertiair) die gekenmerkt wordt door een grijze afwisseling van fijn zand en klei. In de onmiddellijke nabijheid bevinden zich de formatie van Sint-Huibrechts-Hern die onderaan wordt gekenmerkt door een kiezelpakket (paars op de kaart) en de Formatie van Lede (oker op de kaart).

Volgens J. Verbesselt werd er op het einde van de 8ste eeuw of het begin van de 9de eeuw een eigenkerk of een borchtkerk opgericht bij de hoeve van een belangrijk heer. Deze hoeve lag ten zuiden van de Maalbeek. Omdat deze strategisch gelegen plaats van militair belang was, bouwde men een donjon bij de hoeve, het latere Torenhof. Op die manier werd het Torenhof deel van de verdedigingslinie van het hertogdom Brabant. Sint Gorik, de bisschop van kamerrijk en geloofsprediker in de streek, werd er patroonheilige van het eerste kerkje. Later kwam de Kobbegemse Sint-Gorikswijk in het bezit van de Gentse Sint-Baafsabdij. Rond 1100 ging dit aangesloten gebied verloren voor de Sint-Baafsabdij.

Rond 1140 verwierf de abdij van Affligem landgoederen op het noordelijke en hoger gelegen gedeelte van de Maalbeekvallei. In het centrum van dit gebied lag een hof, vermoedelijk dat van familie De Bisschop. Bij dit hof werd een kapel gebouwd die Maria Magdalena als patroonheilige had. Rond dit hof schaarden zich een aantal laten die de kern vormde van een steeds toenemende woonpool die later zou rivaliseren met de inwoners van de oudere Sint-Gorikswijk rond het Torenhof.

De Sint-Gorikskerk en de omliggende woningen waren door hun ligging nabij het Torenhof sterk blootgesteld aan de Vlaamse krijgheer. In 1213, 1227 maar vooral in 1356 tijdens de inval van de Vlaamse troepen onder leiding van graaf Lodewijk van Male, werd Sint-Gorik zwaar verwoest. Door de inspanningen van de heren van Kobbegem werd de Sint-Gorikswijk hersteld. Beide parochies bleven echter in rivaliteit bestaan. Meer en meer vormde de Maalbeek de scheidingslijn tussen twee afzonderlijke gemeenschappen. Het feit dat de oudere kerk afhankelijk was van de Gentse Sint-Baafsabdij en de nieuwe kerk opgericht werd op gronden die toebehoorden aan de abdij van Affligem heeft hierbij zeker een rol gespeeld.

Omwille van haar gunstige ligging, haar grotere parochie en haar vernieuwd en beter kerkgebouw won de Sint-Maria Magdalenakerk in de tweede helft van de 15de eeuw aan belang. Meer mensen migreerden bovendien van de oude naar de nieuwe dorpskern.Sloep0

In het begin van de 16de eeuw werd het Torenhof verlaten door haar eigenaars. Dit betekende het verval van de Sint-Gorikswijk. Na de godsdienstoorlogen in de 16de eeuw werd het Sint-Gorikskerkje definitief verwoest en het bleef in puin liggen.

Enkel de Sint-Maria Magdalenakerk bleef bewaard en de twee patroonheiligen werden er samen vereerd: de Sint-Goriks- en Magdalenakerk.

En met een laatste blik op de twee torens, het Torenhof links in beeld en de Sint-Goriks- en Magdalenakerk rechts in beeld, geef ik graag het woord aan Luk die iets meer zal vertellen over de buitenrestauratie van de kerk.

De aanleiding voor de archeologische werfbegeleiding was het graven van een sleuf voor nieuwe nutsleidingen (elektriciteit, gas en een droge blusleiding) op het zuidelijk deel van de begraafplaats rond de Sint-Goriks- en Magdalenakerk in Kobbegem. Deze werken kaderden in de buitenrestauratie van het kerkgebouw.

Tijdens de graafwerken vond men op een diepte van 0,80 m onder het maaiveld resten van menselijke skeletten. Agilas vzw, de archeologische vereniging van Asse, werd door de verantwoordelijke architect, dhr. Luk Willems, op de hoogte gebracht van deze werkzaamheden. Archeologe Kristine Magerman kwam ter plaatse en stelde vast dat het niet om recente menselijke skeletten ging en dat ze dus als een archeologische toevalsvondst beschouwd moesten worden.

Het Agentschap Onroerend Erfgoed werd verwittigd en gaf toestemming aan Agilas vzw om de skeletten te registreren en op te graven. De gemeente Asse en de kerkfabriek, eigenaar van de grond, gaven toestemming om de menselijke resten te bergen, mee te nemen voor verder wetenschappelijk onderzoek en te bewaren in het depot van Agilas vzw.

De sleuf voor de nutsleidingen had een totale lengte van 18,00 m en een breedte van gemiddeld 0,60 m, diepte van ongeveer 1,00 m. In totaal werd een oppervlakte van 10,80 m² archeologisch geregistreerd.

De registratie van de skeletten bestond uit het vrijleggen ervan binnen de grenzen van de sleuf, de plaatsbepaling ervan met behulp van een Total Station, het fotograferen van de skeletten in het vlak, het nemen van verticale foto’s met als doel het registreren van de resten binnen de opgemeten sleufwanden, het invullen van de skeletfiches en het bergen van de skeletten voor verder wetenschappelijk onderzoek. De sleufwanden zelf werden eveneens ingemeten met een Total Station.

De losse, verstoorde skeletresten die verspreid in de sleuf aanwezig waren, werden met de hand ingezameld en de plaats ervan werd bepaald.

Tenslotte werd er een stukje van de profielwand opgekuist om de context van de begravingen beter te begrijpen.

Bewaring: In alle gevallen was het botmateriaal hard en stevig en konden de beenderen eenvoudig en individueel gelicht worden.

Aard van de graven: In de drie gevallen kunnen we veronderstellen dat het om primaire, enkelvoudige graven gaat, in zover dit in een sleuf met een beperkte breedte vastgesteld kan worden. De drie begravingen zijn inhumaties.

Er konden geen vaststellingen gedaan worden wat betreft de dimensies en de vorm van de graven. De vondst van ijzeren nagels in de onmiddellijke omgeving van de skeletten doet vermoeden dat de overleden personen in houten kisten bijgezet waren. Grafgiften en kledijelementen werden nergens teruggevonden.

Positie:

Bij de drie begravingen kan gesteld worden dat de niet-verstoorde resten nog (gedeeltelijk) in anatomisch verband lagen. (De rechter kant van de ribben van skelet 101 leken licht verstoord te zijn. Mogelijk kan dit verklaard worden door de druk van de grond op dit deel van het skelet. De drie graven bleken verstoord te zijn door recente bodemingrepen die in verband gebracht kunnen worden met de uitbreidings- en restauratiefase van 1912-1913 en de verschillende herstelfasen die plaatsvonden tussen 1913 en 1970, o.a. aan de sacristie).

Opgraving300De drie personen lagen uitgestrekt op hun rug. Over de positie van de benen kan in geen enkel geval iets met zekerheid gezegd worden omdat er nergens resten van het onderlichaam aangetroffen werden. Bij de skeletten 100 en 101 werden er geen schedelresten aangetroffen. Het hoofd van skelet 102 was naar links gekeerd.

Ook de houding van de armen verschilde: bij skelet 100 lag de rechterarm op de buik, over de linkerarm kunnen geen uitspraken gedaan worden. Bij skelet 101 lagen de armen gebogen op de buik. Bij skelet 102 lag de rechterarm naast het lichaam.

De oriëntatie van de graven verschilde enigszins. Skeletten 100 en 102 werden gekenmerkt door een west (hoofd) – oost (voeten) oriëntatie.Skelet 101 had een (lichte noord)oost (hoofd) – (zuid)west (voeten) oriëntatie.

Begraving op de rug met het hoofd in het westen en de voeten naar het oosten wijst op een oude christelijke traditie die verband houdt met de dag van het laatste oordeel waarbij Christus in het oosten zal verschijnen. Door de overledene met het hoofd in het westen te begraven, is zijn blik op dat moment gericht op Christus. Algemeen wordt het oosten geassocieerd met licht en goedheid terwijl het westen symbool staat voor schaduw en kwaad. Skeletten waarvan het hoofd in het oosten lag en de voeten in het westen worden vaak in verband gebracht met priestergraven. Op die manier zouden ze op het ogenblik van de heropstanding hun blik gericht hebben op de parochianen.

Gelet op het feit dat skelet 101 van een juveniel is (infra), kan de hypothese als zou het een priestergraf zijn, verlaten worden. Een mogelijk verklaring is dat het gaat om een vergissing die plaatsvond tijdens de lijkstoet, de begrafenis of de teraardebestelling. Als de begraving gebeurde in een symmetrische, rechthoekige kist zonder uitwendige versieringen bestaat de mogelijkheid dat men niet meer wist hoe de overledene gepositioneerd lag in de kist. Ook op andere plaatsen, zoals bij het archeologisch onderzoek van het Karmelietenklooster in Aalst in 2004-2005, heeft men een kinderskelet aangetroffen met een afwijkende oost-west oriëntatie.

Tijdens de werfbegeleiding werden erg weinig elementen aangetroffen om de skeletresten te dateren. Goed dateerbaar materiaal zoals aardewerk, metalen voorwerpen of munten ontbreken. Toch kunnen we gebruik maken van andere gegevens om een mogelijke datering naar voor te schuiven.

De oriëntatie van de begravingen verschilde duidelijk van die van de huidige begraafplaats. De 20ste-eeuwse graven liggen allen haaks op de kerk georiënteerd, dus in de meeste gevallen een noord-zuid oriëntatie behalve aan de oost- en de westzijde van de kerk waar ze oost-west georiënteerd zijn. Skeletten 100 en 102 zijn west (hoofd) - oost (voeten) georiënteerd terwijl graf 101 (noord)oost (hoofd) – (zuid)west (voeten) georiënteerd is. Hieruit kunnen we afleiden dat het helemaal niet om 20ste-eeuwse begravingen gaat.

Een tweede element voor een relatieve chronologie is de plaats van de graven ten opzichte van het kerkgebouw. Zowel de skeletten als de losse vondstconcentraties bevonden zich allemaal in de onmiddellijke nabijheid van de zuidmuur van de sacristie. Enkele losse vondsten staken in het noordprofiel van de sleuf. Dit betekent dat de sacristiemuur jonger is dan de aangetroffen begravingen. De muur van de sacristie werd gebouwd in de periode 1912-1913. De oudste begraving op het huidige kerkhof dateert uit 1916. Dit betekent dat men drie jaar na de restauratie en uitbreidingsfase van 1912-1913 opnieuw mensen bijzette rond de kerk. We kunnen er dus van uitgaan dat de aangetroffen skeletresten ouder zijn dan 1912.

Het is moeilijker om een terminus post quem naar voor te schuiven. Rekening houdend met de verschillende bouwfasen van de kerk kunnen we algemeen stellen dat de graven tussen 1400 (bouwfase 1) en 1912 (bouwfase 5) gedateerd kunnen worden.

Bovenstaande datering kan verder verfijnd worden als we ook rekening houden met de stratigrafische positie van de graven. Alle menselijke resten bevonden zich op het eerste zichtbare archeologische niveau, op een diepte van ongeveer 0,80 m onder het maaiveld of een hoogte van 56,93 m TAW. Op geen enkele plaats werd de moederbodem bereikt. Dit betekent dat we kunnen veronderstellen dat er onder deze begravingen nog andere, oudere lichamen bijgezet waren.

Als we deze stratigrafische overwegingen combineren met de verschillende bouwfasen van de kerk kunnen we dit begravingsnivaeu mogelijk in verband brengen met bouwfase 4. In 1765 werd de kerk uitgebreid met een koor aan de oostzijde. De aangetroffen skeletresten liggen min of meer parallel met dit koor. Uit teksten weten we ook dat in deze periode de kerkhofmuur vernieuwd werd.

We kunnen dus stellen dat de aangetroffen graven aangelegd werden tussen 1765 en 1912.

Skelet 101 doorsneed skelet 100 waardoor het onderlichaam volledig verdwenen was. Bovendien had skelet 101 een afwijkende oriëntatie van skeletten 100 en 102 (supra). We kunnen dus stellen dat we met minimum twee fasen van begraving te maken hebben. Het blijft echter onduidelijk hoeveel tijd er tussen beide fasen aanwezig was.

Nadien volgen nog enkele sfeerfoto’s:

 

 

Terug: